Over vaders en beesten en leven en dood

Mijn vader reed een keer een haas dood, ik moet een jaar of zes zijn geweest.
Ik kwam er gefragmenteerd achter wat er gebeurd was.
Eerst vond ik de haas, tot de neus ondergedompeld in een emmer water, in de hoek van de wc beneden. Het beest keek me als verrast aan en bijna wilde ik iets zeggen.
Onbewust moet ik geweten hebben dat het geen zin heeft iets te zeggen tegen een dode haas. Ik wist immers al van de dood sinds mijn vader mij als amper vijfjarige boven de kist van mijn opa tilde om nog een keer naar mijn naamgever te kijken.
Omdat ik de dood toen nog niet begreep zei mijn vader dat hij sliep. Dat ik er met mijn vijfjarig kinderbrein niet bij kon dat ze hem twee uur later in de grond stopten kwam bij niemand op.
Lange tijd durfde ik niet meer te slapen bang dat mij hetzelfde lot beschoren zou zijn.
De angst voor de dood zat al in mij toen ik de haas vond.
De rest van het verhaal, dat hij de haas de avond ervoor doodgereden had en waarom hij in de emmer lag kreeg ik van mijn vader te horen.
„Het bloed en het bitter moet eruit, dat is goed voor het vlees“.
Een week later zag ik hoe hij het kadaver in de schuur tussen de fietsen en het gereedschap vakkundig uit elkaar sneed. Hij had daar geen moeite mee.
Zo kon hij ook als geen ander paling villen. Dan zat hij achter op het straatje op zijn klompen met twee emmers tussen zijn benen in zijn typische houding met de elle bogen op de knieën. De ene emmer met de krioelende massa waar zijn hand telkens in verdween om er met een nog levende paling uit de komen, de vingers exact achter de kop. De andere met rood kleurend zout water waar ze ontdaan van vel maar nog steeds krioelend in verdwenen. De handeling daartussen duurde slechts enkele seconden.
Met een klein vlijmscherp mesje sneed hij eerst de nek door, pakte de kop tussen duim en mes, waarna hij in een bedreven beweging het vel, nog aan de kop, volledig afstroopte. Het afval was voor de honden, die zag je twee dagen later ook letterlijk vellen schijten.
Ik stond er vaak bij te kijken, gefascineerd als ik was door het moment van sterven.
Nooit begreep ik waarom ik geen angst in de ogen zag zoals bij de konijnen die hij soms slachtte. Zo’n beest werd aan de achterpoten omhooggehouden en met een stok sloeg hij het precies achter de oren in de nek. De paniek in de ogen voordat de stok de nek raakte was alomtegenwoordig. Vader was altijd onaangedaan.
Zo kon hij zonder twijfel of enige terughoudendheid de kop van een kip afdraaien om het beest met een achteloze beweging van zich af te gooien waarna het nog minutenlang heen en weer stuiterde. Lange tijd heb ik me afgevraagd of de kip nog wist dat zijn kop er af was, en waar hij dat dan wist. In de kop die roerloos in een emmer lag of in het lijf dat zijn laatste macabere dans voltooide.
Een keiharde man was het, behalve als het om zijn twee kuthondjes ging.
Jaren later, en twee hondjes verder, moesten mijn ouders een avondje weg en mijn broer kreeg de taak toegewezen op de hondjes te passen. Mijn broer had bedacht dat als hij maar even weg zou gaan en voor mijn ouders weer thuis zou zijn niemand iets merken zou. Mijn ouders echter waren eerder thuis dan verwacht en troffen de hondjes alleen aan. Toen ik zelf, eerder dan mijn broer, thuiskwam was het huis donker, wat ik al niet begreep. Maar zodra ik de deur openduwde verscheen mijn vader vanuit het duister van de gang met het onderste stuk van een bamboehengel in zijn handen.
We hadden nog geen hengels die je met een vloeiende beweging kon uitschuiven, je had een stuk of zes zeven steeds dunner wordende bamboestokken met metalen uiteinde die je in elkaar schoof, het onderste stuk was een centimeter of vijf dik.
“Oh, ben jij het“, zei mijn vader, “ga maar naar boven“, waarna hij zichzelf weer onzichtbaar maakte in de stoel die achter in de gang stond. Toen mijn broer thuiskwam heeft hij met dat stuk bamboe dat minstens anderhalve meter lang was op zijn flikker gekregen tot de ouwe nog maar een stukje van een centimeter of dertig in zijn hand had.
Dan moet je verdomde hard en vaak slaan

Toen ik negen was vond ik een muis in de schuur en wist het beestje te vangen.
Eenmaal in mijn hand bleef het daar verstijfd liggen zonder ook maar een poging te doen om te ontkomen. Vol trots liet ik mijn vader het beestje zien, ik wilde het graag houden maar voordat ik de vraag stellen kon zei mijn vader, “gooi hem maar dood tegen de muur. “Ik weet niet of ik op mijn vader wilde lijken of dat ik alleen weten wilde of ik ook iets doden kon. Maar ik deed het, althans, ik probeerde het. Zo hard als ik kon gooide ik de muis van een meter of drie afstand tegen de achterkant van ons huis aan, hij stuiterde terug en viel voor mijn voeten op de grond. Zijn halve kopje was verbrijzeld en een oogje lag uit de kas maar dat oog leefde nog, met de alomtegenwoordige angst die ik al van de konijnen kende. Het lijfje lag te stuipen en bij de aanblik en totale verbijstering over mijn eigen daad barstte ik in tranen uit.
Mijn vader kon alleen maar lachen, niet eens een muis kon ik doodmaken schamperde hij, en met zijn grote klomp trapte hij het beestje plat. Met een bats schraapte hij de resten van het straatje af en gooide het gereduceerd tot een waardeloos gegeven in de vuilnisbak. Het was de dag dat ik besefte dat ik niet mijn vader was.