ooit woonden hier bomen zo oud als de dood
ik was nog een kind kraste mijn naam
in de bast van een berk
en elke zondag na kerk en gebed
vond ik mezelf op die plek weer terug
dan zeeg ik in het zand uit het zicht
van de plicht en de ogen van God
op de wereld gericht op het kwartje
in mijn hand dat voor hem was bestemd
maar dat ik nooit gaf en ik legde mijn hoofd
aan het hout om te horen of de wereld bewoog
maar het ging altijd goed
want God was vergevingsgezind
toch zweeg ik een uur met vuur
van de schaamte op mijn kaken gebrand
in mijn hand nog begerig een plakkerig kwartje
God had het niet nodig
want God was toch alles wat was
de bomen het bos de bast en het zand
dit kind op de rand dat de rede zocht
zelfs dat kwartje in mijn hand
en de drop die ik er ’s maandags van kocht
het kind is vergaan in de man die doorwrocht
van een ijzig geduld op zijn avonden wacht
maar laatst was ik er nog zag hoe het bos
zich met steen had gevuld
er geen bomen meer staan
slechts een schim van het kind
met de stem die ik toch ken
liep me lachend voorbij keek me aan
als was ik een vreemde voor hem
© GtH