Parels voor de zwijnen
is dit dan poëzie
dat ik hier sta en jij
met mij niet minder
minnaar van eenzelfde taal
om hoe ze zich verwonderend weet
van ons vooral en dat wij goden zijn
dit brood ons hemels brood
maar zelfs dat komt op den duur
je strot uit en goden vallen diep
al lijkt het krap een meter
het stinkt naar bier en schone schijn
in deze put vol egokut en castraten
waar niemand ooit jouw vormen
in de verzen ving die je verdient
een vriend altijd een veeg te ver
en slammers van papiertjes lezen
is dat dan poëzie
dat noem ik nog geen liedje
pleisters op een lekkend lijk
een natte lap als alles brandt
© GtH