Pom Wolff pakt SLAMersfoort 2009 # 4, Robin Veen de publieksprijs – verslag van Gerben de Ruiter

Het is geen sinecure, zo niet een onmogelijke taak, een objectief verslag te schrijven van een poëziewedstrijd waarbij ik de plaats van de wandelende verslaggever Richard Maassen in mocht nemen. Dus hierbij een handreiking naar de kommaneukers, de toetsendribbelaars, de e-poetry bloggers of kortom geheel slammend Nederland: hier volgt een volledig subjectief verslag van een groteske avond SLAMersfoort, te Borra, te Amersfoort.

Grotesk, zoals de Blauwe Reus, waren zijn gasten. Op deze vrijdagavond stond het poëticale bolwerk van slamland voor een deel op het kleine podium. Robin van Veen beet de spits af. Met een prachtige dictie boog hij zijn op het cliché leunende taal tot poëzie. “Waar het cliché de originaliteit raakt” zou juryvoorzitter Ineke Wolf (met één f) later prachtig samenvatten. Van tranen in een zilte schoot tot caleidoscopisch oorsmeer bracht hij ons.

Daarna kwam de die dag nog opgetrommelde Pom Wolff ten tonele. Ondanks zijn hem nog altijd parten spelende Guichelton. Laat geen God hem hier ooit van verlossen. Wat nu nog in mijn hoofd spookt, is de prachtige ode aan Hugo Claus. Een heel klein stapje in de richting van zijn schaduw mag Pom zich wat mij betreft al zetten. Ritmiek, timing, daar hadden wij Pom wel eens beter in mogen beschouwen, zouden wij later in de jurykamer elkaar toevertrouwen.

Peter le Nobel, op zijn oer-Hollands uitgesproken, had schik in het speciaal voor hem opgehangen bekerhoudertje aan de microfoonstandaard. Hij gaf ons, in verrassende taal, met blijk van een grote belezenheid, een tweeluik die hij als “een klaagzang uit Korinthe”. Hij peuterde  “met een pincet de taal uit de werkelijkheid”. In een duidelijke toonzetting, een eigen taal en een eigen persoonlijkheid, nog niet doorwrocht van de slamgiganten naast hem, en dat maakte deze outsider bijzonder verrassend.

Bert Overbeek breekt met zijn vorm, beweerde hij. Gelukkig niet, want zo zag ik hem al eerder, en tot genoegen. Hij deed mij met gratie een jas van wollen woorden aan. Ook Overbeek schuwt het cliché niet, maar vlak voordat het stoort, gooit hij het met zijn eigen taal ter grabbel. Zoals de klaprozen ineens nymfomaan bleken open te staan. En wat een stem; met gesloten ogen leek het of Stef Bos daar stond, maar nu wel met goede teksten.

Nóg een verrassing, bleek de hekensluitster. Jolies Heij. Nog geen drie minuten voor opkomst was zij door de gastheer benaderd, en zonder twijfel stond zij achter de microfoon. Mooi, dat er nog dichters zijn die hun gedichten opdragen aan iemand, in dit geval haar meegekomen zusterlief. Ze diende ons Manestra op, met geur en kleur konden we het bijkans ruiken. Ook zij grabbelde deze avond in de ton met platitudes. Zo dropen er inktzwarte tranen uit haar ogen en legde zij Park Randenbroek in het avondrood. Gelukkig vlogen er nog enkele gedachten uit eierschalen.

Wat een avond voordrachtskunst in Borra zo bijzonder maakt is dat er vaak tijd is om de hele line-up  tweemaal te mogen horen.  Zo ook deze avond. Jolies overtrof haar eerste ronde.  Ze raakte het moment, ze zag en bespeelde het publiek en ook de jury. En ondanks dat ze heel graag de grond onder onze voeten weg wilde vreten, besloot de jury het voor haar bij twee ronden te laten. Later gonsde het in het café dat Jolies zo’n progressie maakt. Laat maar zien dan, kom nog eens terug.

Bert, de voordrachtskunstenaar, trok zijn papieren uit zijn broekzak. Overigens was hij niet de enige, alle anderen lazen het van papier. Een doodzonde in Rotterdam, Festina en andere slamdomeinen,  maar hier in Borra houden wij rekening met het geringe geheugen van de over het algemeen toch al wat oudere slammer. We hadden geen keus. Terug naar Bert. Hij vertelt verhalen. Dat doet hij goed, gelaagd en onderhoudend. Echter poogt ook Slamersfoort een poetry-slam te zijn, en dat deed de jury besluiten hem geen plaats in de finale te gunnen. Mevrouw de juryvoorzitter roemde hem nog, terwijl hij richting één van zijn vele residenties afreisde, om de mooiste zin van de avond. Iets met november en schuilen. Een mooie zin, maar voor schrijver dezes blijkbaar niet memorabel. Nee, mijn beeld van deze man is iemand die bij warm kampvuur met een goed glas iets, poëtische verhalen vertelt, in een nacht waarin de uren dan minder zullen huilen.

Peter leest voor uit eigen werk. Hij houdt van bier, getuige het wederom halflege glas in de standaard. Hij bleek humor als wapen in zijn bundel verborgen te hebben. Droog, direct en met een poëticale foregrounding die doet denken aan Pfeiffer. Het vraagt een oplettendheid en een belezenheid die mij bekoort, maar wellicht wat schuurt in een zaal vol zinderende slam.  Zonder wrijving geen glans, dus hij veroverde zich een plaats in de finale.

Pom. De tweede set. Mijn aantekeningen blaadje bleef leeg, mijn hoofd zeer zeker niet. Met zijn warme stem, zijn haast kinderlijke poging grappig te zijn, met zijn voeten stevig op de gemeenplaats van woordkunst, stelde hij ons voor aan zijn moeder. Ik zal hem niet vergelijken met Kopland, maar kan dat haast niet voor mij houden. Wat Wolff in ieder geval met ‘onze vader’ gemeen heeft is dat wanneer je hem hoort, hem vele malen meer waardeert. Een plaats in de finale.

De laatste plaats daarin veroverde Robin. Hij kreeg het publiek op zijn hand. Ook hij heeft veel te danken aan zijn toonbeeld. Hij verwijst naar Jan Arens, die moet je lezen om te weten wat vliegen is. Het zal, maar deze set vloog ook, Robin. Hij dicht niet over zijn vader, maar over de kleren van zijn vader. Die moeten we verbranden als hij dood gaat, zodat niemand zich hem kan herinneren. Een sinister beeld van eenzaamheid, vergetelheid en weemoed mocht ik toch zeker op een slampodium nog niet eerder horen. Hulde.

En dan, de finale. Zonneklaar was de winnaar bekend direct na afloop van deze ronde. Niet omdat Le Nobel zijn set vergooide met een veel te lang en veel te gemaakt gedicht waardoor zijn tijd tot over de zeven en halve minuut kwam. Geen halszaak, ware het niet dat hij niet de aandacht op zich wist te houden. Jammer, want een poëet is deze mijnheer zeer zeker. Hij mag zichzelf een biertje kopen op mijn kosten, al is het maar omdat hij dat zo mooi draagt. Nee, neem dan Robin, die bracht ons toch ook op een verkeerd been. Nu stoorde het papier ons wel. Ook omdat hij bleef hangen in het staccato van zijn tweede set. Hij ontnam zichzelf de kans te wervelen, en dat maakte een wat houten klaas indruk. Dat doet overigens niets af aan zijn taal. Bijvoorbeeld: “om niet te zien wie we werkelijk zijn, moeten we eeuwig kijken.” Denk daar maar eens over na. Van Veen veroverde de publieksprijs met afstand. We zien hem gelukkig terug in december, de jaarfinale.De winnaar, Pom Wolff, besloot, zo sprak hij mij later op de Hof aan, om in zijn finaleronde het publiek en de jury  te laten zien wat poetry-slam is. Niet los van het papier, maar wel los van zichzelf. Los van zijn tekst, los van het publiek. Hij verstaat de kunst om in zijn eigen taal het alleenrecht op onzekerheid op te eisen. Hij omarmde ons met zoveel armen, dat het niet completer kan. Hier staat de Nederlands Kampioen 2009, mark my words. Dan moet hij wel dat lullige papier wegdoen en een schoon t-shirt aantrekken.  En, omdat ik het niet kan laten, de zin die nu al weken in mijn hoofd spookt, ondanks dat dit schrijven daags na het horen van deze zin is: “wat heb je aan verstoppertje, als niemand je zoekt.” 

Geef een reactie